Black Sun Empire: “hoe hard een nummer ook klinkt, de melodie blijft aanwezig. Dát is onze sterkte.”
Op zaterdag kreeg City Sounds één van de voortrekkers van de Nederlandse drum’n’bass over de vloer. Black Sun Empire deed de Prison Breaks-zaal daveren met harde en duistere beats. Vlak voor zijn set, terwijl zijn (voor hem onbekende) landgenoten van Fresku onze Beatville plat speelden, hadden we een babbel met Micha Heyboer één van de mannen achter BSE.
Vorig jaar speelde je al eens in Dendermonde, heb je nog herinneringen aan die avond?
Ik heb geen idee in welke club het was maar volgens mij was het best wel leuk. Het enige dat ik nog zeker weet is dat we de avond afsloten met enkele Duvels. (lacht)
Black Sun Empire bestaat uit drie leden, leidt dat soms tot spanningen in de studio?
Soms is het inderdaad wel moeilijk. Een liedje wordt door één iemand gecreëerd en later gaan de twee anderen er zich mee bemoeien. Gelukkig hebben we twee studio’s, waardoor we niet de hele tijd met z’n drieën in één ruimte zitten. Binnenkort komt ons nieuw album uit en ik moet zeggen dat het soms ook wel een lastige bevalling was. Maar uiteindelijk valt alles altijd wel in de juiste plooi. Ik moet zeggen dat we nu heel erg tevreden zijn met het resultaat.
Wat mogen we verwachten van het nieuwe Lights and Wires album?
Oorspronkelijk hadden we het idee om twee albums te maken, één met dubstep en één met drum’n’bass. Uiteindelijk hebben we ze samengevoegd en is het een mix van beiden geworden, 16 nummers met ook een viertal meer experimentele tracks met invloeden van triphop en breaks. Luisterliedjes zeg maar, dingen die je op zondagmiddag met een kop koffie wil beluisteren.
Hoe zou je de sound van Black Sun Empire willen omschrijven? Waar halen jullie inspiratie?
We waren pubers in de jaren ’90, dat was het tijdperk van Front242, Underworld, Chemical Brothers, Prodigy… Dat was een mix van techno, breakbeat en jungle. Vooral de techno zal je steeds in onze nummers blijven terugvinden. Techno zit vol bijzonder interessante geluiden die wij in drum’n’bass proberen te verwerken. Het is allemaal bijzonder synthetisch, maar onze tracks blijven wel melodietjes bevatten. Ik denk dat dat juist onze sterkte is, hoe hard een nummer ook klinkt, de melodietjes blijven aanwezig.
Jullie hebben ook een eigen label opgestart. Waarom ?
Toen we in het begin onze tracks op andere labels uitbrachten hadden we zelf weinig controle over wat er gebeurde. Bovendien was drum’n’bass op dat moment een beetje de muziek van de straat en labels werd toen ook zo gerund. Dat waren we op een gegeven moment zat. We hebben toen onze stoute schoenen aan getrokken en Black Sun Empire Recordings opgestart.
In 2000 hadden jullie de eerste release. Welke evolutie heeft drum’n’bass de laatste 10 jaar doorgemaakt?
Eigenlijk had drum’n’bass in 1998 al zijn eerste piek met Ed Rush, Grooverider, Photek… Maar men heeft snel beseft dat drum’n’bass nooit echt mainstream zou worden omdat het best wel een complex genre is. Voor mij blijft het nog steeds underground, drum’n’bass zal nooit veel groter of veel kleiner worden. De laatste 10 jaar is er wel bijzonder veel veranderd op vlak van mixdowns en technieken. Vroeger had je geld nodig om muziek te kunnen maken, je moest apparatuur kopen. Nu kan je met een gewoon computertje al heel wat. De productiekwaliteit van een track is nu gewoon tien keer beter dan 15 jaar geleden. Neem nu Noisia of Pendulum, dat klinkt gewoon superprofessioneel, daar kunnen veel andere genres nog heel wat van leren. Op puur muzikaal vlak heb ik de indruk dat de laatste jaren de minimalistische dingen groter worden, iets waar ik zelf bijzonder door gecharmeerd ben, het wordt allemaal terug wat rustiger.
Jullie hebben een drukke festivalzomer achter de rug met onder andere sets op Dour en Lowlands. Wat is je het meest bijgebleven?
Glastonbury in de UK was uniek. Het podium leek wel een filmset van Madmax. Een enorme constructie met allerlei voorspuwende elementen. Zonder twijfel het meest memorabele festival dat we deze zomer bezochten!
Door: Brecht De Vleeschauwer